Veiligheid begint bij cameraobservant

De cameraobservant

Artikel: verschenen in Security Management, mei 2009

Zaterdag, 16 mei 2009

Veiligheid begint bij Cameraobservant

Een cameraobservant is iemand die werkt in een particuliere alarmcentrale voor de beveiliging van derden of in een cameratoezichtcentrale voor het handhaven van de openbare orde onder regie van de politie. Er zijn verschillende redenen aan te voeren om meer aandacht te besteden aan het opleiden van cameraobservanten. Twee belangrijke argumenten worden in dit artikel besproken.

Door Frank Schouwstra (www.panopticam.nl)

Een beveiligingscamera heeft tot doel het beveiligen van private eigendommen. Een toezichtcamera dient het handhaven van de openbare orde in het publieke domein. Dat beelden van beveiligings- en toezichtcamera’s ook een bijdrage kunnen leveren aan de opsporing van verdachten staat buiten kijf. Dat beveiligings- en toezichtcamera’s in eerste instantie niet bedoeld zijn voor de opsporing is ook algemeen bekend. Door maatschappelijke ontwikkelingen is echter in de laatste jaren op veiligheidsgebied normvervaging opgetreden. De grens tussen beveiligen, toezicht, handhaven en opsporen is in veel gevallen niet meer duidelijk te trekken. Hierdoor lijkt het erop dat beveiligings- en toezichtcamera’s steeds vaker worden gebruikt voor de opsporing.

Naïef

Ondertussen is gebleken dat het naïef is te denken dat criminelen zich laten afschrikken door de kans om herkenbaar in beeld te komen. Dat van camera’s een preventieve werking zou uitgaan, is dan ook door nog geen enkel (wetenschappelijk) onderzoek onomstotelijk vastgesteld. Ook uit de manier waarop de meeste camera’s ingezet worden, blijkt dat zij steeds vaker voornamelijk de opsporing dienen. Camera’s die namelijk alleen beelden opslaan, zonder dat daarbij mensen de beelden ook meteen uitkijken, impliceren dat het enige doel van de camera’s is om - indien een incident in het ‘verleden’ daartoe aanleiding geeft - beelden terug te kunnen kijken. Zitten er bruikbare beelden bij dan is het in de meeste gevallen de politie die deze teruggevonden camerabeelden gebruikt voor het opsporen van daders en overige betrokkenen. Deze aanpak wordt zowel op de opgeslagen beelden van beveiligingcamera’s toegepast als op de opgeslagen beelden van toezichtcamera’s. Vaak worden privacyoverwegingen aangehaald om deze werkwijze te verantwoorden. Het biedt echter vooral valse veiligheid. Er wordt immers pas opgetreden ruim nadat het delict heeft plaatsgevonden, en hiermee is de burger niet geholpen. Het ‘opsporingsdoel’ van beveiligingscamera’s wordt ook indirect bevestigd door de minister van Binnenlandse Zaken, mevrouw G. ter Horst. Zij stelt dat winkeliers hun beveiligingscamera’s ook op de openbare weg mogen richten (de stoep voor de winkel). Volgens het ministerie is daar geen wetswijziging voor nodig. De huidige wetgeving kan gewoon ruimer worden geïnterpreteerd (bron: Security Management). Het doel van deze maatregel is het eerder in beeld krijgen van mogelijke daders van bijvoorbeeld een winkeloverval. Doordat camera’s de openbare ruimte voor de winkel in beeld brengen is de hoop erop gevestigd dat daders in de aanloopfase hun gezicht nog niet hebben bedekt, waardoor identificatie mogelijk is. De vraag is of dit afschrikwekkend werkt (beveiliging) of dat het vooral handig is voor de politie als er veel beelden beschikbaar zijn (opsporing)?

Veiligheidsprogramma

‘Veiligheid begint bij voorkomen’ (VbbV) is de naam van het veiligheidsprogramma van het huidige kabinet. Dit programma bouwt voort op het programma ‘Naar een veilige samenleving’ van het vorige kabinet (2002-2006). Het doel van VbbV is om criminaliteit en overlast in het openbare domein tot 2010 met 25 procent te verminderen ten opzichte van 2002. De nadruk ligt daarbij op preventie: het voorkomen van criminaliteit en overlast. De aanpak richt zich op zes thema’s:

  1. de aanpak van agressie en geweld;
  2. de aanpak van diefstal;
  3. de aanpak van criminaliteit tegen ondernemingen;
  4. de aanpak van overlast en verloedering;
  5. de persoonsgerichte aanpak van risicojongeren en recidivisten;
  6. de bestrijding van ernstige vormen van criminaliteit.

Camerabeveiliging en cameratoezicht kunnen beide in verschillende gradaties een bijdrage leveren aan de thema’s 1 tot en met 4. Het gericht inzetten van toezichtcamera’s voor de thema’s 5 en 6 is een ontwikkeling die raakt aan opsporing. Waarbij opgemerkt dat zich hier de vraag voordoet waar de grens ligt tussen het houden van toezicht, de politieopsporing in het kader van artikel 2 Politiewet en de strafvorderlijke opsporing. Is bijvoorbeeld de vraag van een wijkagent aan een cameraobservant om uit te kijken naar bepaalde risicojongeren een handeling in het kader van toezicht of een opsporingshandeling in het kader van artikel 2 Politiewet (= de taakstelling van de politie)?

Direct uitkijken

Voor effectieve beveiliging van eigendommen en voor het daadwerkelijke handhaven van de openbare orde is het noodzakelijk dat cameraobservanten direct camera’s uitkijken. Alleen op die manier kan er direct opgetreden worden ter voorkoming van een delict en/of verstoring van de goede orde; de eigenlijke doelen waarvoor de camera’s zijn bestemd. Het aansturen op het voorkomen van verstoringen en delicten houdt tevens in dat organisaties zich minder op de pakkans van daders hoeven te richten.

Cursus

Een eerste vereiste waaraan camerabeveiliging en cameratoezicht moet voldoen om onveiligheid te voorkomen is dat er direct moet worden uitgekeken. Tweede vereiste is een goed opgeleide cameraobservant. De derde eis is op maat gesneden techniek.

Om als cameraobservant onveilige situaties te kunnen voorkomen wordt een hoog niveau van kennis en kunde gevraagd. Het Regionaal Opleidingscentrum (hierna te noemen: ROC) Friese Poort in Leeuwarden wil door het aanbieden van de cursus ‘Cameraobservant’ daarin een kwaliteitsslag maken. Onlangs hebben leraren van de beveiligingsopleiding van het ROC Friese Poort een uitgebreide cursus tot Cameraobservant gevolgd. Na het behalen van het Cameratoezicht certificaat van het SVPB gaan zij de cursus zelf geven aan hun leerlingen. Hiermee is ROC Friese Poort de eerste ROC die een cursus Cameraobservant aanbiedt aan haar leerlingen. De in januari 2009 uitgekomen ‘Studie-editie Cameraobservant’ (uitgeverij Stapel & de Koning) voorziet de leerlingen van de benodigde theoretische kennis. Daarnaast is er in de opleiding ruimte voor extra beeldmateriaal en praktijkoefeningen.

De cursus Cameraobservant en de studie-editie Cameraobservant behandelen de professionalisering van het vak Cameraobservant. Afhankelijk waar de cursisten (gaan) werken kan tijdens de cursus de nadruk liggen op beveiligingsaspecten of openbare orde aspecten. Basis uitgangspunt van de cursus is dat door kennis en herkenning van fasen in crimineel en/of gewelddadig gedrag een cameraobservant de politie vroegtijdig kan laten ingrijpen. Op die manier functioneren camera’s als wakend oog van de politie die hierdoor proactief kan optreden. Door het tijdig aansturen van de politie kunnen voorbereidingshandelingen voor het plegen van een delict worden verstoord. Ook escalaties van geweld in het uitgaansleven kunnen zo voorkomen worden. Door cameraobservanten te trainen op proactief meekijken krijgen zij met het cameratoezicht en de camerabeveiliging de plaats die zij verdienen en kan er veel meer effectiviteit uit de techniek worden gehaald.

Als basiseis voor het volgen van de cursus Cameraobservant geldt minimaal een opleiding tot particulier beveiliger of bijzonder opsporingsambtenaar (BOA). Het is mogelijk om de cursus, net als ROC Friese Poort, te integreren in de opleiding tot Beveiliger (niveau 2 en 3). Hetzelfde geldt voor de opleiding tot BOA of Medewerker toezicht en veiligheid (niveau 2). Voordeel hiervan is dat studenten bij het afronden van hun opleiding ook over een certificaat Cameratoezicht van het Svpb beschikken.

Na het volgen van de cursus kunnen de studenten:

  1. het doel en de uitgangspunten voor camerabeveiliging/-toezicht benoemen;
  2. de verschillende soorten van camerabeveiliging/-toezicht opnoemen;
  3. de verantwoordelijkheden benoemen van de cameraobservant ten opzichte van relevante partijen (veiligheidsketen);
  4. de onderwerpen voor camerabeveiliging/-toezicht uit de relevante wet- en regelgeving noemen;
  5. de meest voorkomende begrippen in het camerabeveiliging/-toezicht benoemen en verklaren;
  6. de verschillende componenten van een camerasysteem benoemen;
  7. de verschillende componenten van een camerasysteem bedienen;
  8. de camerabeelden combineren met de cameraomgeving;
  9. de uitgangspunten voor het opstellen en afwijken van een observatiestroomschema opnoemen;
  10. een optimale beelduitsnede maken;
  11. de hoofdkenmerken van de signalementenleer toepassen;
  12. de verschillende soorten gedragingen tijdens een delict in fasen herkennen en beschrijven;
  13. bij het doorgeven van informatie gebruik maken van het NATO alfabet;
  14. de standaardprocedures voor het melden van een incident noemen en toepassen;
  15. relevante informatie op de juiste wijze registreren en dit vastleggen in een verslag of proces-verbaal;
  16. opnoemen wie gerechtigd zijn om beelden op te vragen;
  17. de procedure voor het opvragen van camerabeelden door derden benoemen;
  18. camerabeelden terugzoeken, deze apart opslaan en via de voorgeschreven procedure beschikbaar stellen aan derden (indien van toepassing).

Wildgroei camera’s

studie-editie1  

Commentaar

 

Woensdag, 23 april 2009

 

Wildgroei camera’s

Het komt steeds vaker voor dat het inzetten van camera’s wordt gepresenteerd als het antwoord op openbare orde delicten en het handhaven van de goede orde in een leefgemeenschap. Enkele voorbeelden zijn: camera’s op ambulances, camera’s in bussen en treinen, camera’s in/op fietshelmen van de politie en beveiligingcamera’s gericht op de openbare weg. Nieuw is de oproep van de minister van Binnenlandse Zaken om vooral foto’s en video’s te maken als u getuige bent van geweld tegen hulpverleners.

 

Door Frank Schouwstra (www.panopticam.nl)

 

Minister ter Horst heeft dit gezegd ter ondersteuning van de oproep van de Amsterdamse korpschef, de heer Welten, die op 6 april in het tv-programma Pauw en Witteman burgers opriep om bij agressie tegen hulpverleners meer te doen dan alleen te blijven staan toekijken. Hij bedoelde: of u de volgende keer als buffer tussen belager(s) en hulpverleners in wilt gaan staan. Dus in plaats van naar je mobiele telefoon te grijpen, grijp je met blote handen in om de gewapende politie te ontzetten. Dat is je burgerplicht. De oproep van Ter Horst is daarom juist tegenstrijdig aan de oproep van Welten. Daar waar Welten pleit voor ‘harde’ actie door burgers (en eigen rechter spelen, want waarom zou je de dader niet een extra klap geven), pleit Ter Horst voor het filmen vanaf de zijlijn. En zo kan iedereen via internet zien – want die filmpjes worden echt niet aan de politie overhandigd – hoe de politie, de ambulancebroeder, de brandweerman of buschauffeur, in elkaar geslagen wordt. Daar zit je als in elkaar geslagen slachtoffer toch niet op te wachten? Natuurlijk is het handig als de politie naar aanleiding van een filmpje op internet voldoende aanleiding ziet om een opsporingsonderzoek te starten. Ik denk echter dat in de meeste gevallen de imago’s van de politie en andere hulpverleners door die filmpjes eerder een knauw krijgen dan dat zij daar enig profijt van ondervinden. Want het gedrag van de ‘hulpverleners’ komt door al die filmpjes ook beter in beeld. En dat zal niet altijd even florisant zijn. Een film waarbij een politieman met lange wapenstok inslaat op ‘rustig’ demonstrerende scholieren van een jaar of 15 lijkt mij geen positieve reclame (vorig jaar tijdens de scholieren demonstraties). Daarnaast zal in de meeste gevallen waarin geweld is gebruikt tegenover hulpverleners (de buschauffeur en treinconducteur daargelaten) het relatief eenvoudig zijn te achterhalen wie zich daaraan schuldig hebben gemaakt. Vaak zijn het situaties waarbij veel mensen betrokken zijn. Meestal zijn het familieleden of vrienden. Mocht dat niet het geval zijn, dan denk ik dat filmpjes gemaakt door toeschouwers met een mobiele telefoon ook geen uitkomst bieden. Hoogstwaarschijnlijk zijn de beelden van te slechte kwaliteit, omdat de telefoon ten tijde van het filmen te veel heeft bewogen of omdat de filmer te ver van het incident afstond, waardoor identificatie van personen sowieso niet aan de orde is. Het gedrag, de reactie, van de politieman of ambulancebroeder zal echter wel goed zichtbaar zijn, omdat zij een herkenbaar uniform dragen!

Er zijn veel incidenten op te noemen waarbij via internet de privacy van burgers door andere burgers worden geschonden. Weinig onthullende foto’s op internet, beschamende filmpjes op You tube, sociale netwerken die haatcampagnes tegen personen voeren, et cetera. Een oproep om filmpjes en foto’s te maken als je getuige bent van geweld tegen een hulpverlener lijkt mij daarom geheel overbodig en slaat de plank volledig mis. Want er wordt al voldoende gefilmd en de hulpverlener is er op dat moment ook niet mee geholpen. En in de meeste gevallen zijn die filmpjes van zo’n slechte kwaliteit dat die toch niet bruikbaar zijn tijdens de opsporing. Belaagden kan je wel helpen door direct de politie te bellen. Via 112. Ook als het de politie zelf is die wordt belaagd, want als zij heftig geëmotioneerde personen op afstand proberen te houden zijn zij niet altijd in de gelegenheid om collega’s te waarschuwen.

Wil je toch filmen? Dan volgen hier enkele tips: zorg ervoor dat je de telefoon stil houdt, je een overzicht geeft van de situatie, en dat je inzoomt op de gezichten van de belagers. En tot slot: overhandig de film aan de politie en zet deze niet op internet.

 

Cameratoezicht op bedrijventerreinen

dombosch

Artikel: verschenen in Security Management, april 2008

 

Dinsdag, 31 maart 2009

 

Camera’s op bedrijventerreinen

Beveiliging- of toezichtcamera’s vormen steeds vaker de spil van publiekprivate samenwerkingsverbanden (PPS) op openbare bedrijventerreinen. De camerabeelden verschaffen een basis voor informatiegestuurde handhaving en opsporing. Camera’s ten behoeve van de ‘openbare’ veiligheid zijn echter een gevoelig onderwerp. Privacybelangen en (internationale) wetgeving spelen daarbij immers een belangrijke rol.

 

Door Frank Schouwstra (www.panopticam.nl)

 

Dit artikel gaat dieper in op drie vragen vanuit de praktijk:
1. Hoe bepaal je de keuze tussen camerabeveiliging en cameratoezicht?
2. Mogen camera’s bestemd voor beveiliging de openbare weg in beeld brengen?
3. Welke persoonsgegevens mag je aan elkaar verstrekken en zo ja wanneer?

Camerabeveiliging of -toezicht?

Camerabeveiliging dient het beveiligen van private eigendommen en is gebonden aan het wettelijk regime van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Cameratoezicht dient alleen ingezet te worden ter handhaving van de openbare orde in het publieke domein. Dit valt onder het regime van artikel 151c van de Gemeentewet en de Wet politiegegevens (Wpg). Onderstaande vragen zijn bepalend voor de keuze tussen camerabeveiliging of cameratoezicht:
1. Betreft het een openbaar gebied?
2. Is er sprake van een probleem in de openbare orde? Waaruit blijkt dan?

Voor verduidelijking van het begrip ‘openbaar’ dient aansluiting gezocht te worden bij artikel 1 van de Wet Openbare Manifestaties. Met ‘openbaar’ wordt bedoeld een ruimte of plaats waar iedereen vrij kan komen en gaan zonder dat er sprake is van enig beletsel. Het begrip ‘probleem openbare orde’ is niet eenvoudig te definiëren. Of daar sprake van is zal moeten blijken uit feiten en omstandigheden.

Op de bovenstaande twee vragen zijn vier antwoorden mogelijk:
1. Openbaar gebied zonder een openbaar orde probleem. Keuze: camerabeveiliging.
2. Openbaar gebied met openbaar orde probleem. Keuze: cameratoezicht of camerabeveiliging.
3. Niet openbaar gebied zonder een ‘orde’ probleem. Keuze: camerabeveiliging.
4. Niet openbaar gebied met een ‘orde’ probleem. Keuze: camerabeveiliging.

Dit artikel gaat alleen over camerabeveiliging en/of cameratoezicht op openbare bedrijventerreinen. In dat kader worden alleen de eerste twee antwoorden verder besproken. Enkele redenen om te kiezen voor camerabeveiliging:
1. bedrijven houden zelf de regie over de camera’s en verkregen beelden;
2. beelden vallen onder het regime van de Wbp;
3. toepassing is in principe oneindig (cameratoezicht is tijdelijk);
4. besluitvormingsprocessen verlopen sneller;
5. minder afhankelijk van politieke schommelingen;
6. eenduidiger wie de kosten draagt;
7. minder gebonden aan (Europese) wet- en regelgeving.

Valt de beslissing bij antwoord twee uit in het voordeel van cameratoezicht dan zijn ondermeer de volgende aandachtspunten van belang:
1. welke feiten en omstandigheden vormen de grondslag;
2. de politiek (gemeenteraad) beslist;
3. toepassing is in principe tijdelijk;
4. bestuursorganen mogen geen derden beveiligen;
5. de politie heeft de regie;
6. beelden vallen onder het regime van de Wet politiegegevens;
7. de onzekerheid over het besluit cameratoezicht en beoordelingsrichtlijnen.

Beoordelingsrichtlijnen

Lid 8 van artikel 151c Gemw verwijst naar een algemene maatregel van bestuur (AMvB). De AMvB had als doel het waarborgen van de kwaliteit van het cameratoezicht door middel van een certificatieregeling. Vooruitlopend op de AMvB had het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) te Utrecht een certificatieregeling opgezet. Als toetsingskader voor deze certificering dienden twee beoorde-lingsrichtlijnen (BRL’s). De eerste was gericht op de functionele eisen waaraan het ontwerp, de aanleg en het onderhoud aan het camerasysteem minimaal moesten voldoen. De tweede bevatte kwaliteitseisen voor de toezichtcentrale en de cameraobservant. ‘Had’ omdat de AMvB hoogstwaarschijnlijk niet wordt bekrachtigd. Het huidige kabinet streeft naar verlichting van de administratieve lasten voor bedrijven en gemeenten. De minister van Binnenlandse Zaken, mevrouw G. ter Horst, heeft om die reden te kennen gegeven dat het doorvoeren van de AMvB niet in het kabinetsbeleid past. Daarnaast gaat de Minister er vanuit dat Gemeenten kundig genoeg zijn om zelf over de kwaliteit van het cameratoezicht te waken. Indien ook de Tweede Kamer hiermee akkoord gaat zal het voor gemeenten en bedrijven niet verplicht worden om te voldoen aan de beoordelingsrichtlijnen. Dit houdt in dat ook lid 8 van artikel 151c Gemw dan aangepast dient te worden. Buiten kijf blijft het feit dat de richtlijnen voor gemeenten en bedrijven bruikbare instrumenten zijn. Het streven van het CCV en de VNG is dan ook om de BRL’s actueel te houden.

De door de beveiligingsbranche opgerichte stichting SSQ (Safety – Security – Quality) heeft het initiatief genomen om zelfstandig een kwaliteitsbeoordelingsrichtlijn voor ca-merasystemen te gaan ontwikkelen. Deze regeling is bestemd voor leveranciers en in-stallateurs van camerasystemen en voor de alarmcentrales waaruit de camera’s worden bediend en beheerd. Het uitgangspunt van deze richtlijn is dat deze geschikt dient te zijn voor zowel cameratoezicht als camerabeveiliging en/of –bewaking. Interessant is ook dat de SSQ mogelijkheden onderzoekt om certificatie van het gehele camerasysteem financieel aantrekkelijk te maken.

Beveiligingscamera’s op de openbare weg?

In veel gevallen gaat het om de wens om de wegen naar en vanaf een bedrijventerrein in beeld te brengen. De mogelijkheid om dit te realiseren en juridisch te onderbouwen is afhankelijk van, wat de organisatie betreft, de camerabeveiliging, de context en de doelomschrijving. Van belang is de mate van samenwerking in PPS-verband en de vorm waarin die gegoten is. Bijvoorbeeld in de vorm van een stichting. De context bestaat uit een verzameling van feitelijkheden. Hieruit moet blijken of er een aantoonbaar belang aanwezig is om wegen in beeld te brengen. Dit kan door het maken van een veiligheidsanalyse (denk aan proportionaliteit en subsidiariteit). Is er sprake van een stichting en is er een aantoonbaar belang dan kan de doelomschrijving aansluiting vinden bij het vrijstellingsbesluit Wbp.

Vrijstellingsbesluit Wbp

Hierin staat in welke gevallen de meldingsplicht bij het College Bescherming Persoons-gegevens vervalt. Voor camerabeveiliging op toegangswegen is artikel 38 van belang. Dit artikel gaat over vrijstelling van melding indien camera’s een beveiligingsdoel hebben. In lid 1 staat: “Artikel 27 van de wet is niet van toepassing op verwerkingen met het oog op de beveiliging van personen, gebouwen, terreinen, zaken en productieprocessen, die zijn toevertrouwd aan de zorg van de verantwoordelijke, door middel van het gebruik van duidelijke zichtbare videocamera’s, voor zover deze verwerkingen voldoen aan de in dit artikel vermelde eisen.” Met name de zinsnede: “die zijn toevertrouwd aan de zorg van de verantwoordelijke”, is van belang. Door het maken van een veiligheidsanalyse wordt aangetoond of er een veiligheidsbelang aanwezig is om de wegen naar en vanaf het bedrijventerrein onder de zorg van de verantwoordelijke te laten vallen. De verantwoordelijke is in dit geval bijvoorbeeld de opgerichte stichting ter bevordering van de veiligheid op bedrijventerrein X. Bij een beroep op het vrijstellingenbesluit mogen beelden maximaal 24 uur bewaard worden. De vrijstelling geldt niet automatisch voor de uitwisseling van persoonsgegevens!

Privacy

Staan aan of op het bedrijventerrein woningen dan dient men te allen tijde de privacy van bewoners te waarborgen. Transparantie en structureel overleg tussen betrokkenen kan dan een positief resultaat opleveren. Partners voor het overleg kunnen zijn: management van het bedrijventerrein, bewoners, woningbouwvereniging(-en), gemeente, politie en justitie. Denk bijvoorbeeld aan het afsluiten van een convenant. In dat convenant kunnen de volgende vragen aan de orde komen:
1. Op welke plaatsen kijken de camera’s uit?
2. Wanneer staan ze aan?
3. Wat zijn de tijden van meekijken?
4. Op welke tijden worden de camerabeelden opgenomen?
5. Hoelang worden de camerabeelden bewaard?
6. Wat gebeurt er met beelden waarop (mogelijke) strafbare feiten staan?
7. Hoe wordt de klachtenregeling ingevuld?
8. Wanneer en hoe gaan we evalueren?
9. Et cetera.

Is de aanwezigheid van woningen niet aan de orde dan speelt het privacyaspect een minder belangrijke rol. Alleen verkeer op doorgaande wegen kan dan nog een aantoonbare privacybelemmering ondervinden. Belangrijke stelregel is: een inbreuk op privacy is alleen te rechtvaardigen indien uit feiten en omstandigheden blijkt dat het in dienst is van het algemeen belang. Daarnaast dienen de rechten van betrokkenen met waarborgen te zijn omkleed.

Uitwisseling persoonsgegevens

Een persoonsgegeven is volgens de Wbp elk gegeven dat kan leiden tot een identificeerbaar natuurlijk persoon. Ook als een gegeven niet tot directe identificatie leidt kan het een persoonsgegeven zijn, omdat door het combineren van gegevens personen mogelijk toch te identificeren zijn. Een camerabeeld met daarop een te herkennen persoon kan om die reden een persoonsgegeven zijn. Op het delen van persoonsgegevens zijn verschillende wetten van toepassing. Bij camerabeveiliging is dat de Wbp. Bij cameratoezicht is dat de Wet politiegegevens. Is er een publiekprivate samenwerking tussen politie en het bedrijventerrein dan zijn beide wetten van toepassing. Het delen van persoonsgegevens kan alleen als alle betrokken instanties het willen en daartoe bevoegd zijn. Daarnaast dient er een duidelijk omschreven gemeenschappelijk doel aan de uitwisseling van persoonsgegevens ten grondslag te liggen. Het oorspronkelijke doel waarvoor persoonsgegevens zijn verzameld door een instantie is leidend voor de hoeveelheid en de soort informatie die mag worden gedeeld.

Uit ‘beter in beeld’

Privacy
Hoofdstuk uit ‘Beter in beeld: de ins en outs van cameratoezicht’ 
 


Dinsdag, 31 maart 2009
 


Privacy

In de negentiende eeuw werden de eerste voorlopers van het moderne privacyrecht in de Nederlandse Grondwet (GW) opgenomen. Dit waren het huisrecht (1815) en het briefgeheim (1848). Na de introductie van deze twee klassieke grondrechten bleef het een tijd stil op het gebied van de privacywetgeving. Pas in de tweede helft van de 20ste eeuw leidde nieuwe technische en maatschappelijke ontwikkelingen tot een toenemende belangstelling voor het privacyrecht in Nederland. Nieuwe technieken maakten het mogelijk om op nieuwe manieren af te luisteren en te bespieden. Een andere belangrijke dreiging die werd gevoeld zat in het opkomen van grote administraties in computervorm.

 

Door Frank Schouwstra (www.panopticam.nl)

 

De bewustwording van de gevaren van moderne registraties beleefde een piek naar aanleiding van de volkstelling van 1971. Het mislukken van die volkstelling bracht opeens de privacy, als beschermbegrip van de persoonlijke levenssfeer in het brandpunt van de belangstelling. Naar aanleiding hiervan werd de Staatscommissie Bescherming Persoonlijke Levenssfeer in verband met Persoonsregistratie ingesteld. Deze commissie, genaamd Koopmans, suggereerde een instructienorm in artikel 84 van de Grondwet op te nemen, luidende: ‘de wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.’ Zij adviseerde het op te nemen bij de sociale grondrechten. De regering besloot echter om de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in zijn huidige vorm in artikel 10 lid 1 van de Grondwet vast te leggen. Wat precies wordt verstaan onder de ‘persoonlijke levenssfeer’ was daarmee nog niet gedefinieerd. In een kamerstuk van 1975/1976 is het omschreven als de ‘ruimte’ die de burger overhoudt om zijn eigen leven te leiden met zo min mogelijk bemoeienis van buitenaf (Tweede Kamer, 1975/76, 13 872-3, p. 41). Hieruit blijkt ook dat het niet alleen om de inhoud en de aard van gegevens gaat, maar ook om wat ermee gebeurt en dat de persoonlijke levenssfeer niet per definitie is beperkt tot besloten ruimten. 

De eerste pijler waar het begrip ‘privacy’ op rust is dat in ethische en rechtstheoretische debatten men meestal uitgaat van de gemeenschappelijke vooronderstelling dat privacy toeziet op de onschendbaarheid van de persoonlijke levenssfeer. In het algemeen wordt aangenomen dat het bij de persoonlijke levenssfeer gaat om de bescherming van zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit van de menselijke persoon. De hiervoor vaak gebruikte term ‘recht op privacy’ komt uit het Amerikaanse recht en een klassieke omschrijving hiervan luidt: ‘the right to be let alone’. In een memorie van toelichting uit 1967-1968 op art. 10 GW is de persoonlijke levenssfeer omschreven als de reeks situaties waarin de mens onbevangen zichzelf wil zijn (Tweede Kamer, 9419-3, 1967/68, p. 3). Het recht op privacy is een afweerrecht: een recht om de persoonlijke levenssfeer te beschermen tegen betrekkingen met de buitenwereld. Deze onschendbare persoonlijke levenssfeer kan worden beschouwd als de kern van het hedendaagse gangbare privacybegrip. De term privacy wordt in het taalgebruik doorgaans gebruikt als metafoor: privacy binnen een bepaalde privé-sfeer, ruimtelijke dimensie of bij aspecten van een persoon. Wat de persoonlijke levenssfeer voor een individu uiteindelijk is blijft subjectief en wordt gevormd door ervaringen en de sociale conventies waarmee een persoon opgroeit. De ene keer is het alleen in een ruimte willen verblijven, de andere keer is het een intiem etentje met een stel goede vrienden. Privacy kan dus ook betrekking hebben op intimiteit, ongeacht de plaats waar die intimiteit zich voordoet. Daarmee komen we op het volgende aspect: in hoeverre heeft men recht op privacy (als beschermbegrip van de persoonlijke levenssfeer) in het publieke domein? Bovendien geldt ook dat beroeps- en bedrijfsmatig uitgeoefende activiteiten niet zonder meer buiten het bereik van het recht op privacy vallen.


Een tweede pijler waar het privacybegrip op rust is de mate van bescherming. De bescherming die privacy verlangt is hoog. Elke observatie, belemmering of aantasting van het privé-leven is in beginsel ongeoorloofd, ongeacht de persoon die observeert of wordt geobserveerd en het doel en de zorgvuldigheid die daarbij in acht wordt genomen. De wenselijkheid van bescherming volgt namelijk direct uit het intieme, kwetsbare of persoonlijke karakter van het beschermde goed. Naar Nederlands recht heeft het recht op privacy in Nederland geen absolute bescherming. Rechtvaardigingsgronden voor de inbreuk op privacy liggen in het algemeen belang.

Naast het onderscheidt privaat/publiek is door de enorme vooruitgang in de communicatie- en informatietechnologie ook een behoefte aan informationele privacy ontstaan. Er kan tegenwoordig ook in een omgeving die in eerste instantie als de publieke sfeer wordt beschouwd sprake van schending van de privacy zijn. Dit kan gebeuren als informatie over een persoon in een andere context wordt gebruikt dan oorspronkelijk was bedoeld. Ook als die informatie in eerste instantie geen betrekking heeft op zaken die strikt genomen persoonlijk, intiem of privé zijn. Een andere reden om de verwerking van persoonsgegevens in het publieke leven aan privacyregels te onderwerpen is dat met behulp van deze gegevens tegenwoordig profielen kunnen worden gemaakt. Op basis hiervan kunnen individuen buitengesloten, beïnvloed of gemanipuleerd worden. Informationele privacy slaat op de vastlegging, bewerking en de verstrekking van persoonsgegevens. De bescherming van de informationele privacy is in het Nederlandse recht vastgelegd in art. 10 lid 2 en lid 3 van de Grondwet. Het informationele privacyrecht is opgeknipt in twee onderdelen. Artikel 10, lid 2 gaat over het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens. Lid 3 zegt dat de wet regels stelt inzake aanspraken op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt alsmede omtrent de aanspraken op verbetering of verwijdering van gegevens.

In de jaren negentig is een nieuwe denkwijze over het begrip privacy ontstaan. Gaat het bij het ‘nog steeds’ gangbare klassieke privacybegrip vooral om de afscherming van de persoonlijke levenssfeer, in de nieuwe stroming gaat het om de regulering van betrekkingen tussen individuen. Aanhangers van dit gedachtegoed gaan er vanuit dat de persoonlijke levenssfeer pas wordt aangetast als de opgeslagen informatie in een verkeerde context wordt toegepast. Aan de hand van het onderwerp Cameratoezicht zullen de belangrijkste verschillen tussen de klassieke en de nieuwe zienswijzen worden toegelicht. Bij de klassieke benadering geldt dat de eerste vraag die moet worden gesteld is of cameratoezicht de persoonlijke levenssfeer van het individu aantast. Is dat het geval, bijvoorbeeld omdat er vanuit gegaan wordt dat het individu op dat moment en op die tijd ook op de openbare weg recht had om onbevangen zichzelf te zijn, dan is cameratoezicht in beginsel niet toegestaan. Deze situatie kan bijvoorbeeld ontstaan als camera’s in een rosse buurt staan opgesteld. De vastlegging en verwerking van gegevens vermindert immers de onbevangenheid van de persoonlijke levenssfeer en is dus in beginsel onrechtmatig. Of er een uitzondering kan worden gemaakt, omdat cameratoezicht in een bepaald geval een gerechtvaardigde inbreuk op de privacy maakt, zal moeten blijken uit een belangenafweging, waarbij privacy in de ene schaal ligt en criminaliteitsbestrijding in de andere schaal. Bij de nieuwe benadering van het begrip privacy is in beginsel niet relevant wat de camera’s registreren. Of al dan niet de persoonlijke levenssfeer in beeld komt is niet van belang. Het gaat er in deze benadering vooral om dat de vastlegging en verwerking van gegevens redelijk en zorgvuldig gebeurt. Concreet betekent dit in het voorbeeld van cameratoezicht dat allereerst de gegevensverwerking een redelijk doel moet dienen. Dat betekent dat er moet worden aangetoond dat op plaatsen waarop de camera’s zijn gericht, de criminaliteit bijvoorbeeld werkelijk een probleem is. Ten tweede zal moeten worden aangetoond dat de invoering van cameratoezicht noodzakelijk is voor het doel van criminaliteitsbestrijding. Daarbij gaat het om de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Uit evaluaties zal duidelijk moeten blijken dat de camera’s daadwerkelijk een bijdrage leveren aan de criminaliteitsbestrijding. Door beveiligingsmaatregelen aan het camerasysteem en kortdurende bewaartermijnen van de bestanden zal moeten worden gegarandeerd dat de opgeslagen beelden niet in de verkeerde handen kunnen belanden.

Deze afwegingen geven invulling aan het rechtmatigheidsoordeel over cameratoezicht. In deze optie wordt privacy begrepen als de aanwezigheid van een gerechtvaardigd toezicht.  
 

ANPR rondom Zwolle

ANPR-truck
Opinie: verschenen in Binnenlands Bestuur, 13 juni 2008


Maandag, 30 maart 2009

ANPR rondom Zwolle

Het is een goed teken dat er (weer) gediscussieerd wordt over maatregelen en toepassingen van techniek ten behoeve van onze veiligheid. Dat is ook hard nodig. Steeds vaker zoekt de politie de randen van de wetgeving op. Het hacken van computers door de politie met behulp van virussen en Trojans is daar een voorbeeld van. Een woordvoerder van de Raad van Hoofdcommissarissen bevestigde op 17 mei 2008 het regelmatig hacken van computers van verdachten tegenover de Geassocieerde Persdiensten (GPD) als volgt: “We moeten kijken welke opsporingsmethode past bij de steeds verder voortschrijdende technologie. Dit valt daaronder.”

 

Door Frank Schouwstra (www.panopticam.nl)

 

Veranderende criminaliteitspatronen doen de roep om ingrijpende opsporingsmethoden toenemen. Technische ontwikkelingen en innovaties vergroten daartoe ook de mogelijkheden. Hacken en het ANPR rondom Zwolle zijn daar uitvloeisels van. ANPR staat voor Automatic Number Plate Recognition. Het is geen camera op zich, maar computersoftware dat aan een camera toegevoegd kan worden. De software zorgt ervoor dat heel snel heel veel foto’s van passerende auto’s gemaakt kunnen worden. Tegelijkertijd herkent de software de karakters op het nummerbord en zoekt het in een aangekoppelde database naar eenzelfde combinatie. Komt deze voor in de database dan spreken we over een ‘hit’ of ‘match’. Een database kan bijvoorbeeld bestaan uit een lijst van nummerborden van gestolen auto’s.

Vaak zijn de opsporingsmethoden met dit soort specifieke technieken niet gebaseerd op een specifieke bevoegdheidsverlenende wettelijke bepaling. Zo is het ANPR op de snelweg rondom Zwolle gebaseerd op de algemene taakstelling van artikel 2 van de Politiewet (PolW). Op basis van dat artikel worden de nummerborden van alle passerende auto’s geregistreerd en opgeslagen voor de duur van drie dagen. Het artikel beschrijft de algemene taken van de politie: “…in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.” De daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde bestaat uit het handhaven van de openbare orde, onder gezag van de burgemeester, en uit de strafrechtelijke handhaving, onder het gezag van de Officier van Justitie.

Het registreren en vooral het bewaren van alle kentekens die het ANPR passeren impliceert echter dat de politie naast de strafrechtelijke handhaving ook nog andere doelen nastreeft. De heer Welten, Korpschef van Amsterdam-Amstelland, verwoordde het in zijn artikel in de Volkskrant van 10 mei 2008 als volgt: “Op knooppunten van de werkelijke en virtuele infrastructuur moet de politie controle kunnen uitoefenen op stromen van mensen, goederen, geld en informatie. Ik noem dat de ‘digitale slotgracht’. Het gaat hier niet om een onvoorwaardelijke toename van controle, maar om controle in verbinding met de veiligheid van burgers.” Dit beleid van controle houden op verplaatsingen (stromingen) van verdachten, en andere voor de politie interessante personen, heeft in de nota ‘Politie in ontwikkeling’ (2005) de naam ‘nodale oriëntatie’ gekregen. Met dat doel voor ogen is het handig om kentekens voor een langere duur te bewaren. Mocht er een misdrijf plaatsvinden in Zwolle dan kan de politie aan de hand van de ANPR gegevens kijken of er ‘verdachte’ auto’s rond de tijd van het misdrijf Zwolle in en/of uit zijn gereden. Maar ook als er geen misdrijf heeft plaatsgevonden dienen de ANPR gegevens als een bron van informatie. Rechercheurs van bijvoorbeeld de Bovenregionale Recherche maken aan de hand van die gegevens analyses die zicht moeten geven op verplaatsingen van verdachten en andere personen met een aandachtsvestiging. Deze analyses dienen de informatiegestuurde opsporing en zijn gericht op het kunnen nemen van strafvorderlijke beslissingen! In feite komt het er dan ook op neer dat de algemene taakstelling van art. 2 PolW ‘mede’ wordt gebruikt voor het gericht verzamelen van gegevens die een basis vormen voor het maken van specifieke analyses met strafvorderlijke doeleinden. Op deze wijze innovatieve technieken inzetten bij de opsporing om gegevens te genereren kan bij de rechter een verkeerde toepassing van bevoegdheden opleveren (détournement de pouvoir). Kortom: ongeacht het antwoord op de vraag of het opslaan van alle kentekens voor de duur van drie dagen (mits er niks met die kentekens aan de hand is) proportioneel is en of dit al dan niet een te grote inbreuk op de privacy oplevert, is de grondslag van art. 2 PolW voor het ANPR rondom Zwolle te algemeen, en daarom niet in ‘overeenstemming met de geldende rechtsregels’, en dus niet de juiste.

Het inzetten van ANPR op deze wijze is ook niet hetzelfde als cameratoezicht voor het handhaven van de openbare orde, zoals gesteld door de Korpschef van de politieregio IJsselland. De grondslag voor cameratoezicht is namelijk te vinden in de gemeentewet en valt zodoende onder de verantwoordelijkheid van de burgemeester en is een vorm van bestuurlijk toezicht. Het ANPR daarentegen heeft niet als doel het handhaven van de openbare orde, maar dient de preventieve en repressieve strafrechtelijk handhaving en (zoals hierboven omschreven) de strafvorderlijke opsporing. De opgeslagen kentekens en de opgeslagen beelden van het cameratoezicht vallen allebei wel onder hetzelfde wettelijk regime: de Wet politiegegevens. Waarom camerabeelden wel gebruikt mogen worden in een strafvorderlijk opsporingsonderzoek en ANPR gegevens (zoals hierboven omschreven) niet, ligt gelegen in het feit dat de gemeentewet in art. 151c, lid 7 daar formeel in voorziet.

 

Gemeente Amsterdam zet camera’s in als opsporingsmiddel

One nation under CCTV 

Maandag, 23 maart 2009

Gemeente Amsterdam zet camera’s in als opsporingsmiddel

Het stadsdeel Amsterdam Zuidoost gaat bij wijze van proef voor een jaar drie camera’s richten op vuilcontainers. De camera’s worden op steeds wisselende locaties vanuit flatgebouwen op de vuilcontainers gericht. Waar de camera’s precies worden geplaatst blijft geheim. Stickers op de vuilcontainers waarschuwen voor het cameratoezicht. Op deze manier wil het stadsdeel volksergernis nummer één aanpakken: de grofvuilproblematiek. Eerdere pogingen om het illegaal op straat zetten van koelkasten, banken, verfresten, et cetera, tegen te gaan hebben niet het gewenste effect gehad.

 

Door Frank Schouwstra (www.panopticam.nl)

 

Bij het handhaven van de openbare orde zoekt de overheid steeds vaker de grenzen op van het juridische toelaatbare. En soms gaat zij daar (expres) overheen. In het geval van de bovenstaande casus lijkt het erop dat ook het stadsdeel Zuidoost in Amsterdam er bewust voor kiest het niet al te nauw te nemen met wet- en regelgeving op het gebied van cameratoezicht, privacy en de privacy waarborgen. Het eerste wat opvalt in het bewuste artikel is dat het stadsdeel de opgenomen camerabeelden wil gebruiken om anderen te kunnen opsporen. Het tweede is dat zij spreken over cameratoezicht en niet over camerabeveiliging. En het derde punt is dat zij deze vorm van cameratoezicht gelijkstellen aan het privégebruik van een mobiele telefoon waarmee iemand toevallig een incident heeft gefilmd: alsof er geen verschil bestaat tussen een opname die is gemaakt door een toevallige passant en een opname die is gemaakt door speciaal daarvoor door de overheid op een geheime plek geplaatste camera’s?

Juridische grondslag

Het stadsdeel plaats de camera’s met één doel, namelijk het opsporen van mensen die ’s nachts, als de milieuagenten slapen, hun kans waar zien om op een makkelijke manier van hun grofvuil af te komen door dit naast de vuilcontainers te plaatsen in plaats van het bijvoorbeeld naar de milieustraat te brengen. Milieuagenten zijn bevoegd om op te sporen en hand te haven. Het maakt wat dat betreft niet uit of zij behoren tot een politiedienst of als buitengewoon opsporingsambtenaar (Boa) in dienst zijn van de gemeente (in dit commentaar ga ik er vanuit dat de milieuagenten Boa’s zijn). Beide soorten ambtenaren zijn gehouden aan bepaalde regels als het gaat om het inzetten van technische hulpmiddelen ten behoeve van de opsporing. Wat een goede zaak is, omdat de overheid anders kan doen wat zij wil zonder daar verantwoording over te hoeven afleggen. Hierin schuilt het gevaar dat je als ‘normale’ burger niets meer kunt doen zonder overheidsbemoeienis. Het is dus de vraag of de overheid in deze casus voldoet aan de regels.

Beveiliging of privéopname

Uit de berichtgeving komt niet duidelijk naar voren op welke juridische basis de toepassing van de camera’s is gebaseerd. Het beveiligen van eigendommen is in ieder geval niet aan de orde. Er wordt immers niet gesproken over het beveiligen van de vuilcontainers, maar over het opsporen van overtreders. Het zijn ook geen privéopnames. De vergelijking met de toevallige passant die een filmpje schiet met zijn mobiele telefoon gaat dus ook om deze reden niet op. Dan blijven over: 1. camera’s in het kader van de strafvorderlijke opsporing, 2. camera’s voor het uitvoeren van de politietaak, en 3. cameratoezicht voor het handhaven van de openbare orde.

Artikel 132a Strafvordering

In het artikel wordt verwezen naar het feit dat het niet de bedoeling is dat de camera’s mensen gaan volgen, maar dat zij gericht blijven op één vast punt. Waarschijnlijk dient deze frase in het artikel als een verwijzing naar de strafvorderlijke opsporing. Of beter gezegd de stelselmatige observatie die erop gericht is een aspect uit het leven van een verdachte goed in beeld te krijgen. In eerste instantie is dat hier niet het geval, waardoor dit punt komt te vervallen. Hierbij opmerkende dat, waarschijnlijk onbedoeld, hier wel sprake kan zijn van het stelselmatig observeren van een ‘goed’, in dit geval de vuilniscontainers. Vergelijk dit bijvoorbeeld met het observeren van een bagagekluis op een treinstation, omdat een verdachte daarin een koffertje heeft achtergelaten, en de politie er in geïnteresseerd is wie dat koffertje komt ophalen.

Artikel 2 Politiewet

Omdat de camera’s voor minimaal een jaar in gebruik blijven vervalt ook deze mogelijkheid. Camera’s die door de politie worden gebuikt in het kader van artikel 2 Politiewet kennen namelijk over het algemeen een kortstondig gebruik. Zoals het geval is bij het maken van video-opnamen van voetbalsupporters bij een risico voetbalwedstrijd. Onder bijzondere omstandigheden kan de politie bij het volbrengen van haar taak de camera’s wel voor een langere duur inzetten. De noodzaak daarvoor moet dan wel blijken uit feiten en omstandigheden.

Artikel 151c Gemeentewet (Gemw)

Omdat alle voorgaande opties zijn komen te vervallen blijft het cameratoezicht uit de Gemeentewet, artikel 151c, als laatste mogelijkheid over.  

Artikel 151c Gemw wordt ook wel het cameratoezicht artikel van Nederland genoemd. Het artikel is bedoeld voor camera’s die het handhaven van de openbare orde in het publieke domein tot doel hebben. Het artikel geeft de kaders aan waaraan het cameratoezicht dient te voldoen. Het begrip ‘openbare orde’ is een zeer gecompliceerd begrip. Het begrip komen we tegen in verschillende Nederlandse wetten en heeft elke keer een andere invulling. In de Gemeentewet doelt het begrip op: het ordelijk verloop van het gemeenschapsleven, voor zover dat door menselijk handelen beïnvloed en bepaald wordt. In de geest van de Gemeentewet heeft het vooral een preventieve functie; het is vooral gericht op het voorkomen van verstoringen. Als we het illegaal plaatsen van grofvuil scharen onder een verstoring van het ordelijk verloop in het gemeenschapsleven dan kan aan de eis ‘het handhaven van de openbare orde’ in principe worden voldaan. Maar is het artikel 151c Gemw te verenigen met het eerder genoemde opsporingsdoel? En hoe zit het met de restvoorwaarden? Een opsomming: heeft de stadsdeelraad/gemeenteraad het cameratoezicht goedgekeurd (democratische controle)? Heeft de burgemeester daartoe een besluit genomen? Heeft de politie de regie? Wie heeft er toegang tot de camerabeelden? Wie is bevoegd de camerabeelden terug te kijken? Is er een cameraprotocol opgesteld? Is het cameratoezicht aangemeld bij het College Bescherming Persoonsgegevens (de camerabeelden zijn persoonsgegevens, omdat aan de hand van deze beelden mensen geïdentificeerd dienen te worden)? Hoelang worden de beelden bewaard? Hoe is het inzagerecht geregeld? Et cetera, vragen waarop het artikel geen antwoord geeft. En ook als die vragen wel intern beantwoord zijn, blijft de vraag over of een stadsdeel (gemeente) camera’s op basis van artikel 151c Gemw mag inzetten voor de opsporing? Ik ben van mening dat je dat als overheid niet moet willen, en dat het juridisch gezien ook niet kan. Hier worden bevoegdheden verondersteld aanwezig te zijn, terwijl de grondslag voor het uitoefenen van die bevoegdheden ontbreekt.

Hoe dan wel?

Ongeacht hoe ze het in Amsterdam Zuidoost hebben opgelost (ik vermoed dus op basis van artikel 151c Gemw) ligt de kracht van een goede oplossing in zijn eenvoud. Als we het illegaal op straat plaatsen van grofvuil beschouwen als een openbaar orde probleem, dan is in eerste instantie de politie de aangewezen organisatie om dat probleem aan te pakken. Als de politie dat doet dan is ook het probleem van het opsporen opgelost. Het gebruik van camera’s kan vallen onder artikel 2 Politiewet, mits de camera’s daar niet al te lang blijven hangen. Om te beginnen bijvoorbeeld voor een maand en in het kader van een ‘aanpak grofvuil problematiek project’ van de politie. Om stelselmatigheid in het observeren te voorkomen kan ervoor gekozen worden om alleen ’s avonds van 23:00 uur tot en met 06:00 te filmen en hier enigszins in te variëren door bijvoorbeeld een nacht over te slaan. De burgers hoeven niet precies te weten wanneer de camera’s beelden opnemen, als zij maar wel weten dat er camera’s zijn geplaatst en dat de mogelijkheid bestaat dat er beelden worden opgeslagen waar zij op kunnen staan.  

 

Moet alleen de politie hier nog tijd en capaciteit aan willen besteden!

 

 

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.